Openbaar Vervoer
De wettelijke voorschriften die in het OV van toepassing zijn, staan voornamelijk in de WP2000 en de Spoorwegwet
De uitwerking vind je in BP2000 (besluit personenvervoer 2000)
Om openbaar vervoer te kunnen verrichten moet een onderneming in het bezit zijn van
|
vergunning (toegang tot het beroep van personenvervoer) |
Moet voldoen aan kredietwaardig, betrouwbaar en vakbekwaam vervoeren zonder vergunning is een economisch delict (misdrijf) het enige misdrijf in de WP2000 |
|
Concessie (toegang tot de vervoersmarkt) |
Is het recht tot vervoer van personen in een bepaald gebied voor een periode van 6 jaar. Een gebonden voorschrift aan de concessie is onderhoud materieel en waarborg sociale veiligheid. Zo ook een dienstregeling |
Bus: een vervoermiddel waar het omgaat om hoeveel mensen er kunnen worden vervoerd.
Dienstregeling: een schema met vaste halte tijden, afwijkend kan zijn de belbus.
Openbaar vervoer: een vervoermiddel die volgens een dienstregeling rijdt en waar iedereen onder voorwaarde gebruik van kan maken.
Besloten busvervoer: is niet voor iedereen toegankelijk en rijdt niet volgens een dienstregeling
Vervoerder: de ondernemer
Uitzondering op de toepassing van de wet WP2000 zijn bussen die bijv. Tijdens een optocht mee rijden en historische voertuigen die
niet voor een commercieel doel einde wordt ingezet.
Enkele toepassingen van het BP2000 zijn niet van toepassing op OV per trein dit staat in Art 5 BP2000
Regels van het vervoersbewijs
vind je in BP2000 zoals
Hoe moet de kaart eruit zien
Tarief dat gehandhaafd moet worden
Waar het vervoersbewijs geldig is
Geldigheid van een vervoersbewijs er zijn twee soorten en wel de
ü nationale vervoersbewijzen deze zijn geldig in heel Nederland.
ü en vervoersbewijzen afgegeven door de vervoerder alleen geldig in een bepaald gebied.
Het gebruik moet overeenstemmen met het tijdstip en het verblijf op het traject waar de passagier zich bevind.
ü Niet verlopen
ü Traject moet kloppen
ü En de dag cq tijd moet kloppen
ü Het bewijs mag niet gewijzigd worden
Geldigheid nationaal vervoersbewijs deze zijn geldig in heel Nederland. De minister kan doormiddel van ministeriële regeling afwijken
omdat bepaald vervoer zich bijv. sterk afwijkt. Bijv. NS vervoersbewijzen deze is, in het algemeen, alleen in de trein geldig.
Het model van het nationale vervoersbewijs moet voorzien zijn van de prijs en de geldigheid moet kunnen worden vastgesteld.
Verschuldigde vervoersprijs de reiziger is voor het vervoer een vervoersprijs verschuldigd als bewijs van betaling wordt er een
vervoersbewijs afgegeven. Het meenemen van handbagage is kosteloos, het mag geen zitplaats innemen, een fiets is geen handbagage
tenzij de vervoerder dit heeft toegestaan.
Verschuldigde vervoersprijs voor fiets en levende dieren landelijke basis regel is dat er voor een fiets meenemen betaald moet
worden, in de bus is in principe niet toegestaan een fiets mee te nemen. De vervoerder kan een verbod op het meenemen van een fiets
instellen. Een hond die te groot is voor op schoot moet ook betaald worden, tenzij hij een gehandicapte begeleid die in het bezit is van
een legitimatie voor gehandicapten.
Recht op terug betaling is alleen als de geldigheid nog niet kan zijn begonnen of ten minste een week voor dat de kaart is afgelopen.
Ook kan de vervoerder hier een ander overeenkomstige regeling treffen.
Bepalingen voor de
reiziger
Art 70 WP Een reiziger moet in het bezit zijn van een geldig vervoersbewijs bij het betreden van tram trein metro of bus en ook op de
plaatsen die tot het openbaarvervoer behoren zoals stations hal perrons wachtruimte mits dit door de vervoerder duidelijk kenbaar is
weergegeven door pictogrammen of tekst.
Is dit niet het geval moet de reiziger zo spoedig mogelijk bij de daarvoor aangewezen persoon een vervoersbewijs aanschaffen of deze
af laten stempelen in en uitgang controleurs zijn, in het algemeen, niet aangewezen voor het afstempelen van vervoersbewijzen.
Uitzonderingen voor een vervoersbewijs zijn:
ü Kinderen tot 4 vier jaar
ü Dieren in mand tas of korf
ü Vouwfietsen
ü handbagage
ü begeleiding gehandicapten in bezit van een legitimatie voor gehandicapten
ü toezichthouders en opsporingsambtenaren als ze bezig zijn met handhaving van de wettelijke bepalingen dus ook inspectie van verkeer
en waterstaat
Als een reiziger geen vervoersbewijs kan of wil tonen, of als het vervoersbewijs niet geldig is, moet als nog de vervoersprijs
voldaan worden, met de ministeriële vastgestelde verhoging 35 euro. Indien niet gelijk betaald kan worden heeft de reiziger recht om dit
alsnog binnen 7 dagen te doen, lukt dit niet krijgt de reiziger een herinnering van de vervoerder met een ministeriële vastgestelde
verhoging van 10 euro deze kan hij nog betalen binnen 28 dagen. Pas na in totaal 35 dagen nadat de reiziger is aangetroffen zonder
geldig vervoersbewijs, wordt er procesverbaal opgemaakt en word er overgegaan naar strafvervolging door het OM.
Ook heeft reizigers die uitstellen van betaling open heeft staan geen recht op een op naam staande vervoersbewijs.
Art 71 WP Andere strafbare gedragingen met betrekking tot vervoersbewijzen kunnen zijn:
ü Het onbevoegd wijzigen en of bewerken
ü Het misbruiken
ü Controle belemmert(moeilijk maken) of verhindert (onmogelijk maken)
Zachte fraude als de wijziging direct zichtbaar is zoals penwijziging Of een foto over een andere foto heen plakken. Het is direct zichtbaar.
Harde fraude als je twee keer moet kijken om de fraude te constateren kan er sprake zijn van het misdrijf valsheid in geschrift.
Of als achteraf via technisch onderzoek kan worden vast gesteld.
Misbruik (art 71 Wp 200) is opzettelijke en ten onrechte gebruiken van een vvb.
Verbod tot verstoren van orde, rust, veiligheid of goede bedrijfsgang
Art 74 WP2000 nadere regels worden gesteld in AMvB en staat in art 52 BP2000
Het aanwezig zijn van enig risico van verstoring is al voldoende om te spreken van een strafbaar feit. In het procesverbaal moet
vermeld staan wat het gevaar, hinder, ect was of kon zijn.
Aanwijzingen behoren
een ieder op te volgen niet alleen
de daadwerkelijke reiziger Artikel 73
betreft aanwijzingen door of
vanwege de vervoerder dit kan gedaan worden door Boa’s OV, de door de vervoerder aangewezen toezichthouders in bezit van een
legitimatie bewijs en aanwijzingen in beeld en geschrift. De aanwijzing moeten altijd gericht zijn op gedragingen genoemd in
art 72 WP2000 verwijzend naar art.52 BP2000
Toezicht en opsporing
Artikel 87 van Wet personen vervoer 2000 regelt welke personen toezicht mogen uitoefenen.
Artikel 89 WP2000 regelt de opsporingsambtenaren
Toezicht en opsporing samen vormen de handhaving van de wettelijke voorschrift.
Regels voor het uitoefenen van toezicht staan in de ALGEMENE Wet
BESTUURSRECHT (Awb).
Toezichthouders op naleving van bepalingen van WP2000 enBP2000 zijn aangewezen:
ü De door de Min. van Verkeer en Waterstaat aangewezen personen
ü Alg. opsporingsambtenaren
ü Boa, die op grond van de wet op de economische delicten zijn aangewezen
ü De door de vervoerder aangewezen personen
Niet elke toezichthouder is dus BOA.
Toezichthouders
openbaarvervoer houdt toezicht op de juiste naleving van art 70 t/m 74 van de
WET PERSONENVERVOER 2000
Toezichtbevoegdheden mag men gebruiken zover dat redelijke voor de vervulling van zijn taak nodig is.
Een toezichthouder moet zich legitimeren als er om gevraagd word.
Als de toezichthouder in burger is kan het raadzaam zijn direct te legitimeren zodat de ander gelijk weet met wie hij temaken heeft.
Evenredigheidbeginsel: De OV toezichthouder mag alleen toezichtbevoegdheden uitoefenen
Als dat redelijkerwijs nodig is voor vervulling van zijn taak, die voor de burger zo min mogelijk belastend is.
Bevoegdheid toezichthouder:
ü betreden van plaatsen met uitzondering van de woning zonder toestemming. Men mag hier geen geweld bij gebruiken.
ü Inlichtingen vorderen indien de toezichthouder vordert dat de reiziger inlichtingen verstrekt, dan moet daaraan voldaan worden.
ü Inzage vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden, Art 5:17 Awb de toezichthouder kan op grond van dit art inzage
vorderen van het vervoersbewijs,
ü en evt. ook kopieën maken Verder zijn er geen zakelijke bescheiden die in het OV voor de uitvoering van de taak van toezichthouder
nodig zijn.
ü Inzage vorderen van identiteitsbewijs is van toepassing op personen met de leeftijd vanaf 12 jaar.
ü Onderzoek van vervoermiddelen is eigenlijk meer voor toezichthouders van Rijksverkeersinspectie, om te kijken naar vereiste
vergunningen ed.
ü Medewerking vorderen is een steun bevoegdheid om de uitoefening van andere toezichtbevoegdheden mogelijk te maken.
Zoals de verplichting te blijven staan
Opsporing
Opsporingsbevoegdheid
BOA-OV verdeeld in
Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar NS 2003
Zijn bevoegd tot het opsporen van de feiten strafbaar gesteld bij of krachtens
ü Spoorwegwet en de wet personenvervoer 2000
Deze Boa’s hebben een geweldsbevoegdheid, bedoeld in artikel 8, eerste lid van de politiewet 1993.
Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar openbaarvervoersbedrijven 2002
Zijn bevoegd tot het opsporen van de feiten strafbaar gesteld bij of krachtens
ü Wet personenvervoer 2000
ü Art 435 onder te vierde van het WvSr (opgeven van valse identiteitsgegevens).
ü Algemene plaatselijke verordeningen, het Zuidhollands verenregelement, voor zover deze verordeningen samenhangt met het vervoer
van personen en de BOA zijn
ü aangewezen door het bevoegde gezag.
ü Andere wetten, indien en voor zover zij daarmee in concreet opsporingsonderzoek door een Ovj word belast, voor de duur van dat
Onderzoek De Boa’s bij deze OV bedrijven hebben geen geweldsbevoegdheid.
Het is van belang het verschil te weten tussen BOA-OV overige
vervoersbedrijven en BOA-OV NS
Toezichtbevoegdheden aanwenden ter opsporing.
Artikel 91 WP 2000 van overeenkomstige toepassing verklaart voor de opsporingsambtenaar. Niet alleen de bevoegdheden zijn van
overeenkomstige toepassing, maar ook de legitimatieplicht en het evenredigheidsbeginsel. Toezichtbevoegdheden mogen onbeperkt worden
gebruikt. Gaat het over in opsporingsbevoegdheid let op dan moet je rekening houden met de rechten van de verdachte.
De overgang van toezicht naar opsporing het is belangrijk te weten waar toezicht eindigt en waar opsporing begint. Bij toezicht moet
de reiziger inlichtingen verstrekken bij opsporing moet je voor het verhoor cautie verlenen en hoeft de verdachte niet te antwoorden.
In welke mate toezicht moet worden toegepast. Het gebruik van de betreffende bevoegdheden blijft achterwege, tenzij de uitoefening
daarvan voor vervulling van de taak redelijkerwijs nodig is zowel voor de BOA als de toezichthouder.
Bevoegdheden uit de WP2000
De volgende bevoegdheden kunnen door de toezichthouder aangewend als toezichtbevoegdheid en bij de BOA als opsporingsbevoegdheid.
Wp 2000 Artikel 97 genoemde toezichthouders en in artikel 89 genoemde opsporingsambtenaren.
|
ü Art 92 vorderingsbevoegdheid identiteitsbewijs |
Moet redelijkerwijs noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de taak vanaf 12 jaar |
|
ü Art 97 maatregelen als de reiziger niet meewerkt |
Kunnen zijn het verwijderen van een onbevoegd meegenomen fiets of het verplaatsen van voor een nooduitgang geplaatste bagage. |
|
ü Art.98 lid 1 intrekken van vervoersbewijs |
Een reiziger handelt in strijd met artikel 70 t/m 74 bij intrekking moet een bewijs van intrekking worden afgegeven. |
|
ü Artikel 98 lid 2 doorzoeken en weren of verwijderen van handbagage. |
Als de handbagage in verband gebracht kan worden met het verstoren van orde rust veiligheid en de goede bedrijfsgang mag dit worden toegepast. Denk ook aan ontploffingsgevaar of brandgevaar. |
Spoorwegwet heeft als doel te komen tot een maatschappelijk gewenst, efficiënt gebruik van het spoorwegnet.
Spoorwegen zijn verkeer over spoorstaven of geleiderails.
Driedeling van de spoorwegen
Algemeen veiligheidsartikel
Artikel 3 spoorwegwet het is een ieder verboden zich zodanig te
gedragen dat gevaar op de spoorweg wordt veroorzaakt of kan
worden veroorzaakt of dat het verkeer op de spoorweg word gehinderd of kan worden gehinderd.
Dit is een soort vangnet artikel voor als het WvSr niet van toepassing is.